Goed voor later

Het oordeel van de Kantelboek schrijfwedstrijd jury:

Het dilemma tussen streven voor later en leven voor nu wordt in dit verhaal niet opgelost, maar dat hoeft ook niet. Het verhaal geeft je een besef van tijdelijkheid.

De zon scheen goud in een blauwe koepel. Het oerwoud om ons heen, oud en vol vergeten herinneringen, aanschouwde hoe we de ene helft van het as in het water uitstrooiden. De steeds dunner wordende grijze wolk verdween in de donkere diepten van de Suriname rivier. In een boot, samen met mijn twee broers, dobberden we in het midden van deze waterige ader voor een eerbetoon aan onze Pa.

Er is een stuk land langs de weg die leidt naar Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Iedereen die er langs gereden heeft zal zich dit stuk land niet herinneren. Het is wild begroeid met snijgras, knoestige struiken en bomen die deel uitmaken van een geschiedenis die niet in boeken staat. Echter, deze vervaagt naarmate oude Surinamers uit dit leven stappen. Net zoals mijn vader.

Als alles was gegaan zoals mijn vader had gewild zou er een groot huis op dit stuk land staan. In de middag zouden voorbijgangers een man met een sigaar in de mond in de schaduwen van de bomen zien zitten. ‘s Avonds zou dit huis zijn opgelicht als een baken voor verloren zielen die in de pikzwarte nacht van de Surinaamse nacht ronddwaalden. Op de zondagen zouden auto’s bij het huis stoppen waaruit kinderen naar Opa zouden rennen voor een lekkernijtje en een verhaal met Surinaamse wijsheden. Als alles was gegaan zoals mijn vader had gewild zouden voorbijgangers en buren het stuk land het herinneren als zijn huis.

Maar hoe weten we wanneer de laatste korrel in de zandloper van ons leven naar beneden rolt? Hoe weten we wanneer de terug tikkende klok bij de laatste seconde is aangekomen?

Zes jaar geleden stond mijn vader voor dit stuk land en mompelde in de stilte: Later… na mijn pensioen…

Zes maanden geleden stond mijn vader voor dit stuk land en fluisterde in de laatste storm van zijn leven: Nooit meer…

Zes dagen geleden lag mijn vader in een witte kamer met witte bedden en witte lakens. Dikke doorzichtige tuben doorboorden flink vermagerde armen. Op het nachtkastje stonden bloemen, kaarten en speelgoed, achtergelaten door kinderen met gebogen hoofden en natte oogjes. Deze zouden nooit de lekkernijen en de wijze verhalen aanhoren op het land dat toen nog, wild en woest langs de weg stond.

Zoals het as, een paar dagen later met de zon in de blauwe koepel, tot niets verdween in de wateren van de Suriname rivier, verdwenen de ambities die mij tot dit moment hadden gedreven.

Wat later had moeten worden, werd nooit meer.

Als een jongen van zeven, zittend aan de keukentafel en schrijvend in een schrift, legde mijn vader zijn hand op mijn hoofd en zei: “Maak jouw sommen zoon…het is goed voor later …”

Als een jongen van 18, achteromkijkend naar de wuivende hand van mijn vader, hoorde ik zijn stem: Al ben je aan de andere kant van de oceaan, studeer…het is goed voor later…

Als een jongen van 25, met een diploma in de hand, omhelsde hij mij stevig en fluisterde: “Werk nu hard mijn zoon…het is goed voor later…”

Ik had een lijst met prestigieuze bedrijven opgesteld. Net zoals mijn vader zou ik mijn levensuren slijten tussen blanco steriele muren van een kantoor. Net zoals mijn vader zou het huidig moment van mijn leven worden doorgeschoven naar later. Later wanneer “nu” niet meer hoeft.

Toen ging de telefoon over. Het was mijn broer.
“Wat is er?”, vroeg ik.
Er is wat gevonden bij Pa.” 
“Wat is er gevonden?”
“Een gezwel.”
“Overleeft hij ‘later’?”
“Ik weet het niet. Maar dit is er nu.”

Ik zocht mijn vader op in de binnentuin van het ziekenhuis. Hij zat in een rolstoel en was gekleed in witte weke kleding. Zijn hoofd was gewikkeld in wit verband zodat de snee, die van de voorkant op zijn hoofd in een halve cirkel naar zijn kruin liep, weer dicht kon groeien.
Ik ging naast hem zitten en vroeg: “Waar denk je aan?”
Hij balde zijn vuisten.
Hij zei: “Ergens langs de weg naar Paramaribo ligt een stuk land.”
“Wat is er met het stuk land?”
“Sinds jaren droom ik van het stuk land. Wanneer ik beter ben, koop ik het en bouw ik er een huis op. Wanneer je met je broers in Suriname woont, kunnen jullie me daar komen opzoeken. Jullie kinderen zal ik verwennen met lekkernijen en oude Surinaamse verhalen. In de middag zal ik genieten van de Surinaamse wind in de schaduw van een tamarindeboom. In de avonduren zal ik op balkon zitten en een kaars branden voor iedereen die deze ziekte niet heeft overleefd.
“Waarom heb je het toen niet gekocht?”
“Ik dacht aan later…na mijn pensioen…”

De volgende dag vergezelden we mijn vader naar het kantoor van de chirurg. Hoofdschuddend en met troostende stem sprak hij over kwaadaardige cellen, afscheid en over een ‘later’ dat er niet meer zou zijn. Met elk gesproken woord verdween het stuk land steeds verder naar een voor altijd onbereikbaar horizon.

Nadat we uit het bootje waren gestapt reden mijn broers en ik naar het stukje land dat er nu wild begroeid met gras, struiken en bomen stond. Niemand zal zich dit stuk land herinneren nadat ze zijn langsgereden of er langs zijn gewandeld. Niemand, behalve de bomen, de dag en de nacht, zal weten dat in een gat, ergens in de grond van het land, de andere helft van een hoopje as ligt begraven.

Later is er nooit geweest.

En op dit land, begraven met het hoopje as, liggen de fragmenten van mijn verscheurde lijst.



 

Over de schrijver

Gerold Kort is op 10 oktober 1977 geboren in Paramaribo, Suriname en woont in Rotterdam. Op 19-jarige leeftijd is hij naar Nederland gekomen om Chemische Technologie te studeren aan de Haagse Hogeschool en aan de Technische Universiteit in Delft.
 
Na zijn studie heeft hij een jaar voor een ingenieursbureau gewerkt en is toen overgestapt naar een wetenschappelijk instituut, waar hij nog werkzaam is.
 
Hoe langer hij met de strakke rigide lijnen van de wetenschap bezig was, hoe meer hij verlangde naar een creatieve uitlaatklep. Tijdens zijn studieperiode ontdekte hij de passie voor schrijven, maar deze limiteerde zich alleen maar tot korte filosofische stukken en gedichten. Het schrijven van verhalen is begonnen toen hij op een avond, op basis van een lied, een horror verhaal heeft geschreven van twee A4tjes.

Hij droomt er van om op een dag zijn eigen boek uit te brengen.
"Niets is zo uitnodigend als een lege pagina en het is een luxe om te kunnen genieten van het geschreven woord, vooral wanneer je dit zelf doet".