Het station

“U bent al drie dagen uw kamer niet uit gekomen, we maken ons bezorgd om u.”   
Verschrikt open ik mijn ogen. Er staat een vrouw tussen mijn bed en de deur. Ze draagt een wit truttig schortje over een zwarte jurk. In weerwil van de vermanende toon van haar stem kijkt ze vriendelijk en vooral nieuwsgierig op me neer.
Ik kom half overeind, steunend op mijn ellebogen, alsof ik al bezig was om op te staan.
“Ik wacht ergens op,” zeg ik, verbaasd over de holle klank van mijn stem. Een vreemde verklaring, denk ik, voor een onafgebroken verblijf van twee nachten en drie dagen in een hotelbed.  

Ze komt een stap dichterbij. “Wat bedoelt u, wacht u op iemand?”
“Nee, nee, ik wacht niet op iemand. Het is moeilijk uit te leggen,” zucht ik.
“Liefdesverdriet he?,” zegt ze, terwijl ze weer wat dichterbij komt. Ik schuif op in het grote bed. Niet om plaats voor haar te maken maar om een veilige afstand tussen ons te bewaren. Dom, dom, opschuiven in een bed staat gelijk aan een uitnodiging.
Vlak voor het bed blijft ze staan, haar blote benen raken de matras.
Innerlijk vervloek ik mijn therapeut. Is dit de bedoeling? Dat ik me moet laten verleiden door een kamermeisje? Nota bene in dit dorp, in dit hotel, dat geheel ten onrechte Stationshotel heet, sinds er geen trein meer langskomt.
 
Het was onmogelijk dat iemand me hier zou herkennen en toch voelde ik, tijdens die paar meter tussen mijn auto en de hoteldeur, wantrouwende ogen in mijn rug branden: wie is die man, wat komt hij hier doen, wat heeft hij hier te zoeken? Ja, kijk maar, zielenrust, dat is wat ik zoek.
Eenmaal op mijn kamer werd ik bevangen door een immense moeheid. Moeier dan ik altijd al ben. En samen met de alcohol uit het ijskastje zorgde dat voor een comateuze slaap. Alsof alles in mij zei: ik ben hier nu wel maar weet dat ik geen stap verder doe en zeker niet richting een zekere plaats.
 
Het station waar het allemaal plaats vond, waar mijn leven een ellendige wending nam, één richting in gedreven werd, naar een kale vlakte van schuldgevoelens en angst, beklemmende relaties en eenzaamheid.
 
Mijn tijdelijke kamergenote straalde nog altijd een gastvrijheid van drie Michelinsterren uit. Het leek nog te werken ook, het maakte me zacht, de moeheid maakte meer en meer plaats voor een weldadige loomheid.
“Nee, het is geen liefdesverdriet,” mompelde ik pathetisch, “het gaat niet om mijn hart maar om mijn hele lijf.”
Ze glimlachte. Die ogen en die mond, ze waren me bij de receptie al opgevallen. Deze vrouw voelde op een vreemde manier vertrouwd.
“Ik zal het je vertellen.”
Gaf ik haar hiermee permissie om op mijn bed te komen zitten? Doet er niet toe, ze deed het toch.
 
“Het gaat om iets dat hier gebeurd is, lang geleden, op het station. Toen hier nog treinen reden. Het was een warme dag, we zouden naar het strand gaan. Mijn zusje en ik en onze ouders. Ik gooide een strandbal naar haar...”
De woorden stokten in mijn keel. Ik slikte, al die tranen die niet welkom waren.
Ze legde een hand op mijn arm.
“Ik hoopte dat als ik hier zou terugkomen ik er voor eeuwig en altijd een streep onder zou kunnen zetten. Maar ik kan er niet naar toe, ik kan er niet naar toe.”
Ze knikte. “Ik ga met je mee,” zei ze, op een toon die zowel vriendelijk als beslist klonk. “Samen zal het lukken.”
 
Het was druk op het perron. Als een proloog op het strandleven was iedere plek bezet door mannen en vrouwen met tassen vol badkleding en handdoeken. Als zwaluwen vlogen de kinderen tussen de mensen door. Hoofden draaiden, monden bewogen, maar niemand zei wat. Het was oorverdovend stil.
 
Niet spelen met de bal, loop mensen niet omver, blijf bij ons in de buurt, hadden ze gezegd. Zeg het na, zeg het nog eens na: niet spelen met de bal, loop mensen niet omver, blijf bij ons in de buurt.
Het denderde door mijn schedel alsof het alle twijfel over de schuldvraag weg moest nemen.
 
We stonden stil en zagen in elkaars ogen het verlangen om het verbod te verbreken.  Mijn armen gingen langzaam omhoog. Dit zou de worp zijn die we ons altijd zouden herinneren. Ik stak er al mijn kinderlijke vuur in. En zij zou die ontvangen, gracieuzer dan ooit. 
De bal zweefde over de hoofden van de zombies en vulde zich met zonlicht tot een stralend gele bol. Ze lachte naar me, zoals ze altijd lachte naar haar grote broer, en stapte achteruit. Haar tere armen reikten de hemel in. Schuin achter haar doemde het silhouet op van het zwarte monster.
 
De tijd stond stil tussen de lichtheid van het leven tot dan toe en de zwaarte van alles wat nog komen ging. En er was de schreeuw, de schreeuw die de ruimte volledig vulde, die duurde en duurde, tot hij zich diep in mijn botten geworteld had.
 
 
Een klop op de deur. “Meneer, hebt u goed geslapen? Uw ontbijt staat klaar.”

Ik gaf geen antwoord maar besefte dat ik voor het eerst in een heel lange tijd goed geslapen had.
 
Die dag ben ik alleen naar het station gegaan.


 

Over de schrijver

Jos Buijs (1945)

Bijna gepensioneerd psychotherapeut en mindfulness trainer.
Hij startte zijn loopbaan als socioloog en journalistiek onderzoeker. Nog net voor zijn 40e besloot hij psychologie te gaan studeren en hij heeft met veel plezier gewerkt als psychotherapeut en manager in de GGZ.
Reizen is een levenslange passie die hem op lange tochten gevoerd heeft naar o.a. Nepal, India, Tibet en Zuid Amerika.
Naast reizen vormt ook lezen een belangrijke bron van inspiratie voor wat nu een favoriete bezigheid voor hem is: schrijven.  Jos schrijf korte verhalen en werkt aan een roman.