Maskers af, hart omhoog

Meneer
2 maart 2013 – brief één

Lieve meneer,
 
we hebben elkaar maar één keer gezien en ik moet vanaf dat moment de hele tijd aan je denken. Wat was er aan de hand dat je het nodig vond om voor de trein te stappen en dood te gaan? En waarom juist toen, nèt op dat moment? Meteen toen ik je zag voelde ik dat er iets niet klopte. Dat moet iets in je houding en gedrag zijn geweest. Je stond te dralen aan de verkeerde kant van de slagboom en dat zag er niet oké uit. Wij kwamen met z’n vieren, mijn man, twee zoons en ik, net bij de tandarts vandaan en waren onderweg naar huis.
 
Zou je nog gezien hebben wie er allemaal bij waren toen je besloot te sterven?

Ik stapte uit, dat heb je niet gemerkt. Ik vroeg me af of ik me met je moest bemoeien of niet. Sommige mensen willen dat niet en willen met rust gelaten worden. Ik heb het toch gedaan. Je hebt gehoord dat ik tegen jou praatte: ‘Hé meneer! Kom wat verder naar achteren. Je staat te dicht bij het spoor dat is niet goed!’ Ik heb het vragend tegen je gezegd. Je draaide je hoofd om en keek me aan. Heb je me gezien? Ik zag jou en het gekke is: we hebben elkaar in de ogen gekeken maar ik kan me je ogen en gezicht niet meer herinneren. Wel je huidskleur, je korte haar en je bruine kleren en witte plastic zakje. Je hebt twee passen mijn kant op gezet. Dat voelde beter, want je stond te dichtbij.

En toch ben je de volgende seconde voor de trein gestapt. Hoe werkt dat nou? Van waar ik stond leek dat onmogelijk en jij deed het heel rustig en weloverwogen. Dit was wat je ging doen…
Ik vraag me af wat er was gebeurd als ik je hand had vastgepakt. Was je met me meegekomen of had jij mij meegenomen op je weg naar de dood? Ik zal het nooit weten, ik heb je niet vastgepakt. Ik ben heel erg geschrokken van wat je koos te doen en hoop heel erg dat het jou de rust en vrede brengt die je kennelijk niet had.
Wat me wel een rotgevoel geeft is dat je het tóch deed terwijl je de kans had het niet te doen. Dat zegt denk ik meer over mij dan over jou. Dit is wat je wilde, anders had je het niet zo rustig en direct gedaan nadat iemand  – ik –  je uitnodigde het niet te doen.

Ik vind het niet fijn dat ik er bij was en dat ik me voel zoals ik me voel. Wat ik hoop is dat je mij, ons – mijn man en mij – gezien hebt. Dat je gevoeld hebt dat wát ik deed kwam doordat ik bezorgd om je was en om je gaf. Dat zou maken dat ik vrede kan hebben met het feit dat ik daar bij jou was toen je stierf. Ik hoop dat je bij God bent en dat Hij ziet wie je bent zonder die behoefte om te sterven. Jij was ook ooit een baby, iemands kind, een mooi wonder waar om gehuild is van blijdschap. Dat moet ergens nog in je hebben gezeten toen je voor de trein stapte. Misschien dat dát weer naar boven mag komen.

Ik zal proberen mijn woede, verdriet en ongeloof een plek te geven waardoor er ruimte ontstaat voor zachtheid en liefde. Wil jij in de tussentijd zorgen dat er iets goeds gebeurt in de harten van de mensen die je hebt geraakt door voor hun ogen te sterven?

Dat zou mooi zijn.
 
Liefs, Suzan
 
MH17
10 maart 2014 – brief twee

Dat ik er bij was, dat is toeval.

Jij wilde dood. Ik vind dat stom.
 
Het ging zoals bij me past, sinds ik er nou eenmaal bij was.
 
Ik ben uitgestapt omdat ik zo in elkaar steek. Wat goed is, is dat ik je de hand gereikt heb; Je heb gezien. Jij hebt er voor gekozen die niet te pakken.
En nu ben je dood. En dat is wat het is. Ik heb je niet gepakt maar gedaan wat paste bij hoe ik me voelde. Ik was boos boos boos.
Ik heb voor mijn kinderen gezorgd en mijn man. Ik had iets beter voor mezelf kunnen zorgen.
Ik kan het aan.   

25 augustus 2015
 
Sommige mensen reageren op kiezels: ik had een rotsblok nodig om tot stilstand te komen en om mij heen te kijken. De meneer, zoals ik hem noem, liet mijn emmer overlopen en daarna leeglopen. Helemaal leeg. Zo leeg dat er ruimte kwam voor de heftige, negatieve emoties die ik lange tijd voor mijzelf verborgen had gehouden. Ze vielen over mij heen als een grauwe, zware deken. Ik heb mijzelf door de dagen gesleept, geprotesteerd, opnieuw, opnieuw en nog eens opnieuw mijn schouders eronder gezet. Het ging niet. Het was te zwaar. Ik kon in het donker niets zien en was op.

Tot ik mij volledig overgeef, niet meer protesteer. Vanaf dat moment wordt het stil. Ik hervind ruimte, breid die uit, met vallen en opstaan. Leer voor mijzelf te zorgen. Ik maak een zachte landing in mijn ontwaakte zijn en in mijn gezin: een warm bad en liefdevol laboratorium voor niet-eerder uitgeprobeerd gedrag. Mijn woede, verdriet en ongeloof maken ruimte voor zachtheid en liefde. Ik ben een liefhebber en ik leer elke dag iets nieuws over de liefde.
 
Maskers af, hart omhoog.



 

Over de schrijver

Suzan Vernie (1971)

Ondernemer | Liefhebber | Scherp | Realist | Stimulans
Actief met PRIKKEL binnen de zorg en zakelijke dienstverlening. Leider, verbinder en organisatieverbeteraar.